DE GEEST VAN DE CONCEPTUELE KUNST
In juli 1971 rolt het eerste nummer van het tijdschrift 'Reform Bericht' uit de stencilmachine. Finaal zullen er 34 edities gepubliceerd worden van elkaar verschillend qua vorm en inhoud. Op de cover van het eerste nummer vraag ik aandacht voor een lezing in de 'School of Visual Arts' (New York, 1967) door de marxistische filosoof Herbert Marcuse[1]. Hij verklaarde daar: "Niet om politieke kunst, politiek als kunst, maar om kunst als de architectuur van een vrije samenleving gaat het". In Marcuse’s visie heeft kunst een maatschappelijke taak maar hij zweert ze af als politiek drukkingsmiddel.
De relatie 'kunst - politiek - maatschappij' komt later in New Reform veelvuldig aan bod. Vooral Duitse kunstenaars onderstrepen het belang van maatschappijkritiek. Onder de invloed van Joseph Beuys, Wolf Vostell en Klaus Staeck komt een beweging op gang die zich losmaakt van de traditionele standaarden in de kunstwereld door politieke standpunten over de samenleving als leidraad te nemen voor hun oeuvre. In de Verenigde Staten is er de ‘conceptuele beweging’ van kunstenaars die voorstellen voor kunstwerken formuleren op basis van theoretische en analytische modellen waardoor ze tot de essentie worden herleid. Toeschouwers worden vrij gelaten om zich in te beelden welke betekenis ze aan kunst wensen te geven. De dematerialisatie van het kunstwerk is een feit. De beweging brengt een ferme discussie op gang met het tot dan toe heersende materialisme in de kunstwereld maar zal finaal ook bezwijken voor de macht van de kunstmarkt en mainstream worden. Ik vat de twee tendensen samen in de tentoonstelling 'Informatie Concept Art' waarin ik een beeld ophang van de verschillende stromingen in de conceptuele kunst.
![]() |
| Pamflet 'Informatie Concept-art' (archief RD) |
Adolf Merckx, die als geen andere de experimenten van New
Reform op de voet volgt schrijft in Het Laatste Nieuws:
"Gedurende eeuwen
heeft de kunstminnaar in de waan geleefd dat kunst in ieder geval een middel was
om aan de werkelijkheid te ontsnappen. De werkelijkheid werd getranscendeerd,
vervormd, geïdealiseerd. De kunstzinnige mens van heden is er toe gekomen zich
eens flink in de ogen te wrijven om na een nuchter ontwaken tot de vaststelling
te komen dat de echte werkelijkheid een nieuwe start mogelijk maakte. De kunst
trad in het spoor van de wetenschap en stelde de bewustwording van het banale,
dagelijkse milieu op de voorgrond. Waar men vroeger de noodzaak ondervond om
aan het ruwe materiaal, de grondstof, het gevonden voorwerp een meer edele vorm
of bestemming te geven, doet zich thans de behoefte gevoelen om de dingen te
aanvaarden zoals ze zich voordoen, om in de naakte werkelijkheid kenmerken,
eigenschappen en mogelijkheden te ontdekken die vroeger gewoon over het hoofd
gezien of afgewezen werden"[2].
De samenstelling van ‘Concept Art’ komt tot
stand op basis van de door kunstenaars aangereikte informatie. Het is in mijn
ogen niet meer noodzakelijk om de zogenaamde ‘unieke’ kunstwerken te tonen, ik
focus op de inhoudelijke aspecten. Ik selecteer de Duitsers Jochen Gerz, Erwin
Wortelkamp, Horst Tress, Otto Dressler, Klaus Groh, Hingstmartin, Bernd Löbach,
Gottfried Jäger, Hans Werner Kalkmann, Albrecht D., Klaus Staeck en Wolf Vostell,
de Amerikaan Douglas Huebler, de in New York wonende
Japanner Yutakio Matsuzawa en uit het Oostblok de Tsjech Petr Stembera.
| Jochen Gerz 'Voorwaarden voor de visuele poezie' (archief RD) |
DE EERSTE PERFORMANCE
![]() |
| De performance verliep van den hoek Kapellestraat/Molenstraat tot aan het postgebouw van de Hopmarkt (archief NR) |
Werner Kausch zal een performance doen in de straten van Aalst. Afkomstig uit het Ruhrgebied ontleend hij zijn oeuvre aan de industriële vormgeving. De gietijzeren deksels van de Aalsterse firma Vulcain die in de bestrating worden gelegd op plaatsen waar zich ondergrondse knooppunten van riolen, waterleidingen, telefoonkabels en roosters voor kelders bevinden, zijn in augustus 1971 het voorwerp voor de 'actie'. De deksels hebben per soort een specifieke textuur, soms geometrisch, soms gotisch. Kausch wil met zijn actie aantonen hoe mooi deze industriële vormgeving is. Hij reinigt de deksels en smeert ze in met zwarte verf, legt er een wit tekenblad op en een houten plaat. De voorbijgangers worden gevraagd om op de plaat te gaan staan van waaronder na enige tijd het blad wordt gehaald met de gespiegelde afdruk van het deksel. Zo worden ze deelnemer aan de creatie van een “kunstwerk” dat ze mee naar huis kunnen nemen. Een aantal bekende Aalstenaars neemt er aan deel terwijl ik via een megafoon het publiek toespreek over het doel van de performance en hen overtuig van de ‘artistieke meerwaarde’.
NETWERKEN
Netwerken is nu een modebegrip maar in de jaren ’70 een quasi natuurlijke samenscholing van gelijkgezinden. Op 30 oktober roept Celbeton een vuilnisbelt in de Maaistraat te Dendermonde uit tot kunstzone: ‘Dump in activity / vuilnisbelt in werking'. Een initiatief van kunstcriticus Adolf Merckx die, bewust of onbewust, optreedt als conceptueel kunstenaar. Het in brand steken van vuilnisbelten is in die tijd een gangbare praktijk! De drietalige uitnodiging is opgesteld als een rouwbrief met foto’s van het brandende belt en het wrak van een uitgebrande auto er bovenop. Het project roept vragen op over milieubeheer, esthetica en kunst omdat het uitgaat van de kunstkroeg Celbeton. Met ‘dump-art’ werpt Celbeton een ‘steen’ in de poel van de kunstwereld waar de bourgeoisie dominant en waardebepalend aanwezig is. Het is een manier om ze een geweten te schoppen en de draagkracht van het begrip kunst te verruimen.
![]() |
| Klaus Groh, collage 'dump-art' (verz. RD) |
| Achter mijn kraam op de poezêmarkt in Wetteren (foto Ludo Van Geert, verz. New Reform) |
Roland Jooris en Galerie Drieghe vragen mij om deel te nemen aan de 3de Poëziemarkt in Wetteren[4] . Dichters, schrijvers en uitgevers staan er achter marktkraampjes met de nodige luister hun publicaties te verkopen. Ik installeer mij met conceptuele kunst en experimentele poëzie. Van Otto Dressler stel ik een stoel voor met een gummi zitkussen dat de vormen heeft van het gelaat van Beethoven. Honderden mensen gaan er op zitten en reageren van gechoqueerd tot geamuseerd.
Ingo Kümmel, die ondertussen stichtend
voorzitter is geworden van de 'Vereniging van Progressieve Galeristen', vraagt ons
om deel te nemen aan de 'Kunst und Informationsmesse' in Keulen (5-10 oktober 1971). Naast een rits experimentele
galerieën uit Duitsland nemen buitenlandse gast galerieën deel die een plaats
krijgen in verschillende gebouwen rondom de Neumarkt. Wij krijgen krijgen een plaats in het Belgisch consulaat dat
beschikt over een ruime zaal. Een van onze buren
is de Londense gallery Annely Juda Fine Art. In samenwerking met de galerie
Spectrum uit Antwerpen organiseer ik in oktober van dat jaar een
tentoonstelling met drie van haar kunstenaars die de analytische schilderkunst
beoefenen: Alen Green,, Peter Kalkhof en Antanas Brazdys.
![]() |
| Beurscatalogus (verz. New Reform) |
Omdat de beurs een democratisch karakter
nastreeft selecteer ik overwegend edities van jonge Belgische kunstenaars[5]. Hugo Heyrman en Wout
Vercammen, die in Antwerpen 'Artworker Star tijdschrift voor concepten’
uitgeven, zijn de blikvangers in mijn stand.
Deelnemen aan de beurs is in menig opzicht een
experiment voor mij. Er zijn vooral het transport, de verblijfskosten, huur en inrichting
van de ruimte. Een eerste obstakel is de overschrijding van de grenspost met
mijn ‘Renault 4’ in Aachen. Ik heb brute pech. De douaniers stellen vast dat ik
“schilderijen” vervoer die ik niet heb aangegeven. Ik moet ter plekke alle
werken registreren en een taks betalen op de uitvoer, een uitgave waarop ik
niet ben voorzien. Er bestaan nog geen betaalkaarten en dus tast ik diep in
mijn portemonnee. Het budget waarop ik rekende voor mijn deelname aan de
kunstmarkt krijgt meteen een ferme deuk. De kunstmarkt levert geen verkoop op, behalve één schilderijtje van Gilbert Swimberghe dat door de Belgische
cultureel attaché De Buck wordt aangekocht voor de collectie van het consulaat.
De administratieve afhandeling en de betaling zullen maanden aanslepen. Het
positieve zijn de massa contacten die ik heb met kunstenaars, critici,
organisatoren en duizenden bezoekers. In de opvolgende weken vallen steeds meer
voorstellen van kunstenaars in mijn brievenbus met de vraag om samen te werken.
Mijn netwerk in binnen- en buitenland breidt fors uit.
[1] Marcuse is met zijn filosofische theorieën een
van de voornaamste aanstichters van mei'68
[2] ‘In de ogen wrijven', Het Laatste Nieuws,
augustus 1971
[3] Luchterhand Verlag, Darmstadt 1973
[4] Felix Beernaertsplein
[5] Vincent van de Meersch, Helene Keil, Hugo
Duchateau, Jan Withofs die samen de Research Group vormen, Jos Jans, Luc Hoenraet, Hugo Van den Bossche,
Erik De Smet , objecten en schilderijen van Cesar Bailleux, Cel Overberghe,
Gilbert Swimberghe, Werner Kausch, Raf Verjans, Lieve De Pelsmaeker en de
Duitse Aen t. Sauerborn.





.jpg)















