LEVEN MET KUNST EN POLITIEK IN AALST NA 1960 [D1]

 

PROLOOG: DE FABRIEKSTAD DOOFT UIT

Begin van de jaren zestig komen de vakbonden en politieke partijen in Aalst op straat om van de overheid vervangende tewerkstelling te eisen voor de uitdovende textielindustrie. Ook de brouwerijen moeten er aan geloven en dus lopen de werkloosheidcijfers hoog op. Tijdens betogingen vertrekken de socialisten en de katholieke vakbonden stoetsgewijs vanuit hun eigen lokalen naar een gemeenschappelijke plaats waar een meeting wordt gehouden. Een houding die voortvloeit uit de periode van het Daensisme dat in feite dezelfde sociale doelen nastreefde als de socialisten maar er toch nooit mee samenwerkte. 

De verzuiling van het gemeenschapsleven drukt op de culturele ontwikkeling van de stad. Alle politieke strekkingen hebben hun eigen bibliotheken, toneelgezelschappen, fanfares, jeugdclubs en zelfs sportclubs. Ik maak deel uit van de stedelijke jeugd- en cultuurraad waar elke strekking op haar strepen staat. Voor elke beslissing koppelt iedereen terug naar de politieke strekking die hij of zij vertegenwoordigt. Er zijn maar enkelen bereidt om de levensbeschouwelijke en politieke tegenstellingen te overbruggen. De culturele verenigingen De Rank, Willemsfonds en de Lodewijk de Raet Stichting slagen er met de grootste voorzichtigheid in om samen voordrachten te organiseren over ethische onderwerpen en de Vlaamse identiteit.

 De fabrieksstad, door Louis Paul Boon zo typerend beschreven in zijn romans, dooft uit maar de verzuiling leeft verder in de politieke gelederen. Kunst en cultuur zijn de reddende engel voor stadsgenoten die uit het verzonken schip willen ontsnappen en vooruitgang nastreven.

Roger D'Hondt
(tekening koptekst Anne-Mie Van Kerckhoven, figuur Jo Corthals)

HOE HEDENDAAGSE KUNST IN AALST VOET AAN WAL KREEG


1960. Ik ben 12 jaar als ik een eerste keer in contact kom met kunst. Familieverbanden brengen mij bij Maurice Matthys, die in de Molenstraat 44 een winkel van sieraden en een kunstgalerij met zijn naam uitbaat. Ze is gevestigd in de fel met spots verlichte poort naast de winkel. Het is de eerste galerie voor moderne kunst die naam waardig in Aalst. Men kan er werken bekijken van Jan Burssens, Octave Landuyt, Maurits Van Saene en Fons Roggeman, kunstenaars met een opstandige reputatie in de Vlaamse kunstwereld. Fons Roggeman is bovendien Aalstenaar en laureaat van de Valerius De Saedeleerprijs[1]. In januari 1960 zal er, op initiatief van het stadsbestuur, een tentoonstelling doorgaan met door kunstenaars ingezonden ontwerpen voor de integratie van een kunstwerk in de nieuwe stadsmeisjesschool in de Binnenstraat. Een primeur![2] Ik maak er later kennis met kunstenaar Walter Schelfhout (°Aalst) die in de vitrine enkele zelfgemaakte in glazuur uitgevoerde juwelen tentoon stelt. Er ontstaat meteen een hechte band tussen mij en Walter. Tijdens onze urenlange gesprekken in het verloop der jaren, hebben wij het steevast over de abstracte kunst en haar toekomst. In 1968 geef ik mijn eerste spreekbeurt voor een kunstpubliek tijdens de opening van zijn tentoonstelling in de galerij Humanior te Gentbrugge en publiceer veelvuldig over zijn oeuvre.

Links ikzelf midden Maurice Matthys rechts mijn neef Rudi
(foto familiearchief)

De woning in de Molenstraat zal na Maurice Matthys nog jarenlang een pleisterplaats zijn voor kunstzinnige activiteiten. Roland van Styvendaele en zijn vrouw ‘Mietjen’, bekende café-uitbaters op de Grote Markt, verhuizen hun ‘Taverne Dirk Martens’ naar deze plaats, waarna hun zoon Mario Van Styvendaele, die onder de artiestennaam Luc De Groot in het vrije radiocircuit bekendheid verwerft, het café begin deze eeuw overneemt. Het is kunstzinnig ingericht met affiches van Louis Paul Boon tot Andy Warhol, kunstwerken en antieke prullaria en het kan bogen op een cliënteel van cultuurbeoefenaars en toogfilosofen. Maar het zal ook de thuishaven worden van Werkgroep Informatie Actuele Kunst (WIAK) die ik in 1973 samen met ceramiste Lieve De Pelsmaeker uit Erembodegem opricht.

OP VERKENNING

Tot mijn vaste uitstappen behoren op zondagvoormiddag bezoeken aan de tweedehandsmarkt op de Varkensmarkt, in de volksmond "da' met". Een van de handelaars is gespecialiseerd in antiek en kunstwerken van verschillende aard. Ik zal er, als 14 jarige, mijn eerste aankoop doen van een 'schilderij op doek'. Het stelt een mooi winterlandschap voor vergelijkbaar met het oeuvre van de in Aalst geboren Leie schilder Valerius De Saedeleer, maar het wekt mijn enthousiasme op omdat het op doek is geschilderd, redelijk groot uitvalt en dus een mooi alternatief is voor de reproducties bij ons thuis. Ik koop het voor een prijsje als cadeau voor Moederdag. Als ik er mee thuiskom kijken mijn ouders verbaasd op. Ik heb het gekocht met mijn bij elkaar gespaarde zondagse pree en dat lijkt op verspilzucht. Ik moet mijn ouders overtuigen van de meerwaarde van echte kunstwerken tegenover reproducties. Mijn keuze voor doek en verf slaat duidelijk aan en het maakt van mij definitief een bewonderaar en beginnende verzamelaar. De kiemen zijn gelegd, het ijs is gebroken. Van dan af laat ik niets onverlet om naar tentoonstellingen te gaan. 

De Belfortkelder op de Grote Markt is een pleisterplaats voor aankomend talent. De stad heeft er onder het bewind van cultuurschepen Bert Van Hoorick voor gekozen om de kelder als moderne tentoonstellingsruimte in te richten en 'gratis' ter beschikking te stellen van jonge plaatselijke talenten. In ruil voor ruimte, licht en verwarming moeten de exposanten aan de stad een werk afstaan, die zo een mooie verzameling verwerft. Het selectiecriterium is dat je geen commerciële doelen mag nastreven.

Vermomd  als de Joodse krijgsheer met het ooglapje Moshe Dajan decoreert
    L.P. Boon. kunstenaar Dirk Van der Elst in het cultuurcafé  Papadoc in Berlare             (foto archief DVDE).

Aalst is in de jaren 1965-1970 ook een provinciestad waar jonge kunstenaars zich manifesteren. Er is de aantrekkingskracht van de spirituele Louis Paul Boon enerzijds en de Academie voor Schone Kunsten (ASK) anderzijds die een aantal kunstenaars aflevert die hun plaats opeisen in de kunstwereld en furore maken in Vlaanderen en Brussel[3]. Tot die nieuwe generatie behoren onder meer de postabstracte schilder René Bekaert, Wilhelm Mechnig die uit Keulen in onze stad is neergestreken, René Vinck die op een stijlvolle wijze de naïeve kunst beoefent, de flamboyante Jan Sanders laureaat van de ‘Jeune Peinture Belge’ (1967) die gans zijn leven auto's zal schilderen en Luc Hoenraet, de materieschilder, die zich tijdens het schilderen verslaaft aan de sax van jazzmuzikant John Coltrane, Dirk van der Elst en Walter Schelfhout.

In 1969 wordt Walter Schelfhout met drie werken geselecteerd voor het prestigieuze 'Forum voor grafiek' in de Sint-Pietersabdij in Gent. Wij zijn er samen aanwezig tijdens de opening waar ik kennis maak met Karel Geirlandt, de gezaghebbende voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Hij zal mij later (13 mei 1977) vragen om toe te treden tot de stichtende leden en het bestuur van Jeugd en Plastische Kunst (JPK) in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, als Vlaamse tegenhanger van de bestaande Franstalige afdeling[4].

(vervolgt).



[1] Prijs die toegekend wordt aan leerlingen van de Stedelijke Academie voor Schone Kunsten die bijzonder zijn opgevallen.

[2] 1986, Vlaams parlement stemt decreet voor het integreren van kunst in openbare gebouwen van de ondergeschikte besturen.

[3] Jan Sanders en Luc Hoenraat verhuizen al snel naar Brussel en zoeken er hun weg in het populaire galeriecircuit van de hoofdstad.

[4] Andere leden zijn ondermeer Erik Antonis, Flor Bex, Marc De Cock, Yves Gevaert, Jan Hoet, Phil Mertens, Marcel Boon en Paul Delmotte.


LEVEN MET KUNST EN POLITIEK IN AALST, NA 1960 [D21]

  PERFORMANCE ART FESTIVAL Performance Art Festival : boven reuzegrote poster, onder performance Boegel en Holtappels (foto RD/Archief New R...