PROLOOG: DE FABRIEKSTAD DOOFT UIT
De verzuiling van het gemeenschapsleven drukt op de culturele ontwikkeling van de stad. Alle politieke strekkingen hebben hun eigen bibliotheken, toneelgezelschappen, fanfares, jeugdclubs en zelfs sportclubs. Ik maak deel uit van de stedelijke jeugd- en cultuurraad waar elke strekking op haar strepen staat. Voor elke beslissing koppelt iedereen terug naar de politieke strekking die hij of zij vertegenwoordigt. Er zijn maar enkelen bereidt om de levensbeschouwelijke en politieke tegenstellingen te overbruggen. De culturele verenigingen De Rank, Willemsfonds en de Lodewijk de Raet Stichting slagen er met de grootste voorzichtigheid in om samen voordrachten te organiseren over ethische onderwerpen en de Vlaamse identiteit.
De fabrieksstad, door Louis Paul Boon zo typerend beschreven in zijn romans, dooft uit maar de verzuiling leeft verder in de politieke gelederen. Kunst en cultuur zijn de reddende engel voor stadsgenoten die uit het verzonken schip willen ontsnappen en vooruitgang nastreven.
Roger D'HondtHOE HEDENDAAGSE KUNST IN AALST VOET AAN WAL
KREEG
![]() |
| Links ikzelf midden Maurice Matthys rechts mijn neef Rudi (foto familiearchief) |
De woning in de Molenstraat zal na Maurice Matthys nog jarenlang een pleisterplaats zijn voor kunstzinnige activiteiten. Roland van Styvendaele en zijn vrouw ‘Mietjen’, bekende café-uitbaters op de Grote Markt, verhuizen hun ‘Taverne Dirk Martens’ naar deze plaats, waarna hun zoon Mario Van Styvendaele, die onder de artiestennaam Luc De Groot in het vrije radiocircuit bekendheid verwerft, het café begin deze eeuw overneemt. Het is kunstzinnig ingericht met affiches van Louis Paul Boon tot Andy Warhol, kunstwerken en antieke prullaria en het kan bogen op een cliënteel van cultuurbeoefenaars en toogfilosofen. Maar het zal ook de thuishaven worden van Werkgroep Informatie Actuele Kunst (WIAK) die ik in 1973 samen met ceramiste Lieve De Pelsmaeker uit Erembodegem opricht.
OP VERKENNING
Tot mijn vaste uitstappen behoren op zondagvoormiddag bezoeken aan de tweedehandsmarkt op de Varkensmarkt, in de volksmond "da' met". Een van de handelaars is gespecialiseerd in antiek en kunstwerken van verschillende aard. Ik zal er, als 14 jarige, mijn eerste aankoop doen van een 'schilderij op doek'. Het stelt een mooi winterlandschap voor vergelijkbaar met het oeuvre van de in Aalst geboren Leie schilder Valerius De Saedeleer, maar het wekt mijn enthousiasme op omdat het op doek is geschilderd, redelijk groot uitvalt en dus een mooi alternatief is voor de reproducties bij ons thuis. Ik koop het voor een prijsje als cadeau voor Moederdag. Als ik er mee thuiskom kijken mijn ouders verbaasd op. Ik heb het gekocht met mijn bij elkaar gespaarde zondagse pree en dat lijkt op verspilzucht. Ik moet mijn ouders overtuigen van de meerwaarde van echte kunstwerken tegenover reproducties. Mijn keuze voor doek en verf slaat duidelijk aan en het maakt van mij definitief een bewonderaar en beginnende verzamelaar. De kiemen zijn gelegd, het ijs is gebroken. Van dan af laat ik niets onverlet om naar tentoonstellingen te gaan.
De Belfortkelder op de Grote Markt is een pleisterplaats voor aankomend talent. De stad heeft er onder het bewind van cultuurschepen Bert Van Hoorick voor gekozen om de kelder als moderne tentoonstellingsruimte in te richten en 'gratis' ter beschikking te stellen van jonge plaatselijke talenten. In ruil voor ruimte, licht en verwarming moeten de exposanten aan de stad een werk afstaan, die zo een mooie verzameling verwerft. Het selectiecriterium is dat je geen commerciële doelen mag nastreven.
| Vermomd als de Joodse krijgsheer met het ooglapje Moshe Dajan decoreert L.P. Boon. kunstenaar Dirk Van der Elst in het cultuurcafé Papadoc in Berlare (foto archief DVDE). |
Aalst is in de jaren 1965-1970 ook een provinciestad waar jonge kunstenaars zich manifesteren. Er is de aantrekkingskracht van de spirituele Louis Paul Boon enerzijds en de Academie voor Schone Kunsten (ASK) anderzijds die een aantal kunstenaars aflevert die hun plaats opeisen in de kunstwereld en furore maken in Vlaanderen en Brussel[3]. Tot die nieuwe generatie behoren onder meer de postabstracte schilder René Bekaert, Wilhelm Mechnig die uit Keulen in onze stad is neergestreken, René Vinck die op een stijlvolle wijze de naïeve kunst beoefent, de flamboyante Jan Sanders laureaat van de ‘Jeune Peinture Belge’ (1967) die gans zijn leven auto's zal schilderen en Luc Hoenraet, de materieschilder, die zich tijdens het schilderen verslaaft aan de sax van jazzmuzikant John Coltrane, Dirk van der Elst en Walter Schelfhout.
In 1969 wordt Walter Schelfhout met drie werken geselecteerd voor het prestigieuze 'Forum voor grafiek' in de Sint-Pietersabdij in Gent. Wij zijn er samen aanwezig tijdens de opening waar ik kennis maak met Karel Geirlandt, de gezaghebbende voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst in Gent. Hij zal mij later (13 mei 1977) vragen om toe te treden tot de stichtende leden en het bestuur van Jeugd en Plastische Kunst (JPK) in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, als Vlaamse tegenhanger van de bestaande Franstalige afdeling[4].
(vervolgt).
.jpg)